Oudedagslijfrente | Jaarruimte

Pensioenaangroei; 'de factor A'
Met invoering van de Wet VPL is op 1 januaroi 2006 de voor pensioenen in de loonsfeer geldende fiscale pensioenrichtleeftijd verhoogd van 60 naar 65 jaar. Het blijft fiscaal toegestaan om het pensioen eerder te laten ingaan dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, maar dan dient het pensioen actuarieel te worden herrekend.
In verband met deze wijziging zijn ook de rekenregels voor de bepaling van de pensioenaangroei - de factor A in de formule waarmee de jaarruimte wordt berekend - aangepast.

De tot en met 31 december 2005 geldende staffel is gebaseerd op een pensioenleeftijd van 62 jaar. Met ingang van 1 januari 2006 is de staffel gebaseerd op een pensioenleeftijd van 65 jaar.
Bij een gelijkblijvende premie betekent dit voor 2006 een hogere pensioenaangroei dan in 2005 en daarmee een lagere maximale aftrek van lijfrentepremies.

Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaarFactor t/m 2005Factor vanaf 2006
15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is 0,30 0,36
20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is 0,24 0,30
25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is 0,20 0,25
30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is 0,17 0,21
35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is 0,14 0,17
40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is 0,12 0,14
45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is 0,10 0,12
50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is 0,08 0,10
55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is 0,07 0,08
60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is 0,05 0,07

Voorbeeld
Een werknemer van 40 jaar neemt deel aan een beschikbarepremieregeling. Er is in 2009 een bedrag van Ä 3000 aan pensioenpremie voor hem beschikbaar. Volgens de tabel bedraagt zijn pensioenaangroei in dat jaar 0,14 x Ä 3.000 = Ä 420. In de formule van de jaarruimte wordt de pensioenaangroei vermenigvuldigd met de factor 7,5. Hierdoor heeft deze werknemer een maximale lijfrentepremieaftrek van Ä 3150.

Eind- en middelloonregelingen
Voor de waardeaangroei in eind- en middelloonregelingen geldt, dat deze bepaald wordt door vermenigvuldiging van het opbouwpercentage met de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt bepaald door het pensioengevend inkomen, minus de franchise zoals die in de pensioenregeling is opgenomen.

« terug

Uitvoeringsbesluit IB 2001:

Besluit 3 juni 2008:
Met betrekking tot berekening van de pensioenaangroei bestaat op sommige punten onduidelijkheid. De staatssecretaris van FinanciŽn gaat op die situaties nader in.