Oudedagslijfrente

Jaarruimte
Lijfrentepremies worden aangemerkt als uitgaven voor inkomensvoorzieningen en vallen daardoor in het belastbaar inkomen uit woning en werk (box 1). De uitkeringen zijn (progressief) belast eveneens in box 1.

De maximum lijfrenteaftrek is afhankelijk van een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar. Voor de berekening van de jaarruimte (en ook voor de reserveringsruimte) gelden dus de gegevens van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de lijfrente wordt afgesloten. Dit geldt zowel voor de inkomensgegevens als voor de waardeaangroei van het pensioen.

Maximaal bedraagt de aftrek 17% van de premiegrondslag. De premiegrondslag is het genoten inkomen van de belastingplichtige minus de AOW-franchise (niet te verwarren met de AOW-franchise zoals die in pensioenregelingen in de tweede pijler wordt gehanteerd). De franchise voor de jaarruimte 2010 bedraagt 11.561. De maximum premiegrondslag 2010 is 158.788.

De maximale aftrek is 17% van de premiegrondslag tot ten hoogste (in 2010) 26.994. Op de grondslag moeten de aangroei van pensioenrechten in het voorgaande jaar en de in dat jaar verrichte toevoeging aan de oudedagsreserve in mindering worden gebracht. De aangroei die het gevolg is van het aanwenden van de gelden van spaarloon als vrijwillige pensioenpremie mag buiten beschouwing blijven. De pensioenuitvoerders zijn verplicht tot het verstrekken van een jaarlijkse opgaaf van de waardeaangroei van de pensioenaanspraken in een kalenderjaar. De opgave moet binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar worden verstrekt. Bij de berekening van de jaarruimte moet de pensioenaangroei vermenigvuldigd worden met de factor 7,5.

Formule
Vertalen we bovenstaande in een formule dan ziet die er als volgt uit:
(0,17 x PG) - 7,5A - F

PG = premiegrondslag en bestaat uit het bedrag van: maar (in 2010) maximaal 158.788.

A= (pensioen)Aangroei en F staat voor het inmiddels verouderde begrip FOR (fiscale oudedagsreserve - nu: oudedagsreserve).

« terug

Wet IB 2001:

Zie ook: