Oudedagslijfrente
De oudedagslijfrente dient om een pensioentekort te compenseren. Van een pensioentekort is sprake wanneer het pensioen minder bedraagt dan 70% van het gemiddeld verdiend salaris. Concreet moet de lijfrente dienen ter compensatie van een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar.

De lijfrente mag uitsluitend toekomen aan de belastingplichtige zelf.
De lijfrentetermijnen moeten uiterlijk ingaan in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 70 jaar bereikt en een levenslang karakter hebben.

Is sprake van een tijdelijke oudedagslijfrente dan kunnen de termijnen niet eerder ingaan dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en en moeten deze uiterlijk ingaan in het jaar waarop de belastingplichtige 70 jaar wordt.
Een tijdelijke oudedagslijfrente kent een minimale looptijd van 5 jaar, maar eindigt bij eerder overlijden van de begunstigde en kent een gemaximeerde lijfrentermijn van Ä 20.479 (2010).

Een oudedagslijfrente wordt vaak gecombineerd met een nabestaandenlijfrente. Komt de gerechtigde voor de oudedagslijfrente te overlijden dan gaat de nabestaandenlijfrente lopen. Overlijdt de (gewezen) partner dan wordt de utkering verlaagd tot bijvoorbeeld 70% van de oorspronkelijke uitkering. Eigenlijk voldoet de lijfrente dan niet aan het criterium 'vast en gelijkmatig'(zie de afdeling 'Begrip lijfrente').

In de wet is de bepaling opgenomen dat een termijn van de oudedagslijfrente als gevolg van het overlijden van de partner mag dalen tot ten hoogste 70% van het bedrag van de oorspronkelijke termijn. Deze daling moet wel zijn overeengekomen op het moment dat de lijfrente is afgesloten.

Wet IB 2001:

Trefwoorden: