Oneerlijke handelspraktijken

Misleidende omissies
Er is sprake van een misleidende omissie als de handelaar/dienstverlener essentiŽle informatie niet geeft. Zelfs in het geval dat hij alle essentiŽle feiten wel noemt, kan er toch van misleiding sprake zijn. Namelijk als die informatie niet begrijpelijk is of op dubbelzinnige wijze is verstrekt.

Het begrip essentiŽle informatie wordt verder uitgewerkt in art. 193d:
"Bij de beoordeling of essentiŽle informatie is weggelaten of verborgen is gehouden worden de feitelijke context, de beperkingen van het communicatiemedium alsook de maatregelen die zijn genomen om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen, in aanmerking genomen."

Het is duidelijk dat een handelaar in bijvoorbeeld een sms-boodschap niet alle vereiste informatie kan geven. In die gevallen zal de handelaar bijvoorbeeld via zijn website wel de noodzakelijke informatie beschikbaar moeten stellen. De verschillende factoren tezamen bepalen of een handelaar de essentiŽle informatie heeft gegeven en of er sprake is van een misleidende omissie.

N.B.
Ook de Wft is duidelijk over de informatieverstrekking door financiŽle dienstverleners: die moet feitelijk juist, begrijpelijk en niet misleidend zijn. In geval van een geschil op dit gebied wordt bij een procedure, een klacht ingediend bij Kifid, of bij de handhaving door de AFM eerst of uitsluitend (afhankelijk van de aard van het geschil) naar de Wft-regels gekeken.

Art. 193f zijn de informatieverplichtingen opgenomen die voortvloeien uit de in bijlage II van de richtlijn opgenomen richtlijnen. Deze informatie wordt als essentieel beschouwd in reclame of andere commerciŽle communicatie door de handelaar/dienstverlener.
De Memorie van Toelichting merkt in dit verband op dat de in dit artikel opgenomen lijst niet limitatief is.

In de lijst worden wel expliciet de artikelen 4:20, 4:73 en 5:13 Wft genoemd.


BW:

Wft:

Art. 5:13 heeft betrekking op de informatie in prospectussen van effectenaanbieders